Eindelijk thuis

Deel dit bericht:

Een explosie van geuren knalt mijn neus binnen zodra het autoportier opengaat. Nog eerder dan mijn ogen de nieuwe omgeving kunnen scannen, maken de reukreceptoren in mijn neus overuren. Alles ruikt anders. Het is koeler, frisser, zelfs het gras voelt anders onder mijn tenen. Het duurt lang voordat ik een paar geursporen kan ontcijferen: liefdesferomonen hangen in de lucht, naast versteende oude hondenpoep, het rubber van een autoband, gemorste cola uit een blikje en een zwaar zoete lucht die ik niet kan thuisbrengen. Dit is dan zeker wat ze de grote stad noemen.

Hoe anders dan waar ik vandaan kom – naar mijn gevoel nog maar enkele ogenblikken geleden. In een flits zie ik mezelf onder een afdakje in de zon liggen. Ik weet nog dat ik opgetild werd en samen met nog twee anderen in een achterbak van een auto terechtkwam. De grote grijze vogelachtige op een enorm asfaltterrein kan ik me nog vaag voor de geest halen, maar daarna weet ik het niet zo goed meer. Heb ik geslapen, waar ben ik nu? Een band om mijn nek en een touw verhinderen mij om de omgeving te gaan verkennen, maar eerlijk gezegd maal ik daar niet om. Koud is het hier, steenkoud, stervenskoud.

Dan voert een mens mij door een deur, de trap op, weer door een deur. Ik word met een korte klik bevrijd van het obstakel rond mijn nek. Een zachte stem roept mij ‘Ben je daar dan eindelijk, lieverd?’ Ik kijk om me heen. Een etensbak, een waterbak, een bank, een mand, een ijzeren gevaarte, dat ze hier bench noemen, een ligkussen, een knuffel en een bot om op te knagen. Ik drentel een rondje, les mijn dorst en schrans de voerbak leeg. Dan zucht ik nog maar eens diep en loop op de vriendelijke stem af. Eindelijk heb ik een thuis.