Leeg strookje gras

Deel dit bericht:

Mons Aurea werd gebouwd op een braakliggend stukje grond aan de Garenkokerskade. Hoe kwam het eigenlijk dat dit kleine stukje grond nog niet bebouwd was? Daarvoor moeten we terug naar de 19de eeuw.

Prévinaire stinkt van verre, rijmden de tegenstanders van de verf- en katoenfabriek aan de Garenkokerskade in 1855, slechts twaalf jaar na het enthousiaste onthaal in 1843 van fabriek ‘de Garenklos’ van de Belg Jean Baptiste Theodore Prévinaire. Hoe kon de geestdrift zo snel omslaan?

Aan de komst van de katoenfabriek naar Haarlem lag een min of meer sociale doelstelling ten grondslag. Haarlem was destijds een zwaar verpauperde stad. Er was dringend behoefte aan een economische impuls, en dat werd via een omweg gerealiseerd.

Een paar jaar eerder, in 1830 waren Noord- en Zuid-Nederland uit elkaar gevallen. België ging als zelfstandige staat verder. In België, met name in Vlaanderen was de textielproductie dominant aanwezig, Nederland bleef qua textielindustrie met lege handen achter. Op advies van de Gouverneur-Generaad Johannes van de Bosch werd er een onderzoek ingesteld hoe er in Nederland een bloeiende katoenindustrie tot stand komen. Men vond de oplossing in Nederlands-Indië. De nieuwe Nederlandse katoenindustrie zou moeten voorzien in het katoentekort aldaar. Op terugweg van de vrachtschepen zouden er koffie en thee vanuit Indië meegenomen kunnen worden. Drie vliegen in een klap dus, de schepen zouden stampvol met goederen heen en weer kunnen varen, Nederland zou een eigen katoenindustrie opbouwen en als klap op de vuurpijl bood de fabriek de arme stadsbevolking werkgelegenheid.

Het weven van het katoen vond plaats in de landelijke omgeving in Twente en Brabant.  Aldaar zou een bloeiende textielindustrie ontstaan die tot in de jaren zestig van de vorige eeuw voortduurde.  Voor het verven van de katoen koos men juist voor de verarmde stedelijke locaties zoals Haarlem. In de nabijheid van water, bij de Kinderhuissingel en het knooppunt met de Garenkokerskade werd het industrieel complex van Prévinaire gebouwd. In de hoogtijdagen waren er 10.000 fabrieksarbeiders aan het werk, maar dat aantal slonk snel. Rond 1850 waren er nog maar 500 medewerkers over want de economische recessie in Nederlands-Indië resulteerde in een scherp dalende vraag.

Stankoverlast aan de gracht

Een groepje welgestelden aan de Nieuwe Gracht beklaagden zich in 1855 over stankoverlast van Prévinaire en de gemeente Haarlem stelde daarop een onderzoekscommissie in. De commissie Van Breda concludeerde ‘het water is bedorven, de lucht is besmet; alle vreemde stoffen die met water en lucht gemengd zijn, zijn nadeelig’. De directie van Prévinaire ontving een brief met een verbod op lozing vanaf 1 juni 1857 ‘vloeibare stoffen uit de fabrijken alhier aflopen in de stadswateren’.  Toch zou het zo’n vaart niet lopen. Nadien vond men dat de commissie wel erg overhaast had gehandeld en andere factoren over het hoofd had gezien. Alleen al de 600 militaire paarden aan de manege aan de Kinderhuissingel loosden dagelijks vele liters urine in de gracht. Het lozingsverbod werd ingetrokken. De kreet ‘Prévinaire stinkt van verre’ bleef als herinnering achter en op benauwde zomerse dagen klonk die kreet meermaals door de straten.

In 1914 waren er nog zo’n 350 fabrieksarbeiders over.  De Eerste Wereldoorlog betekende het abrupte einde van Prévinaire. Hoewel Nederland niet deelnam aan de gewapende strijd, ondervonden we wel de nadelen omdat de wereldeconomie tot stilstand was gekomen. Prévinaire, die afhankelijk was van de export, kwam de klap niet te boven en werd failliet verklaard. De fabriekspanden werden in 1920 gesloopt en de stenen werden in Haarlem hergebruikt voor de woningbouw.  Op de vrijkomende grond aan de Garenkokerskade werd een woningwijk gebouwd. Dat zou later nog een staartje krijgen omdat de bodem verontreinigd bleek met allerlei gifstoffen uit de verffabriek.

In 1938 werd aan de zijde van de Kinderhuissingel een Oudkatholieke kathedraal met woonhuizen gebouwd.  Al wat er restte van het eens zo uitgestrekte fabriekscomplex van Prévinaire was een smal strookje gras aan beide zijdes van de Garenkokerskade. Het bestuur van de Rooms katholieke huishoud- en industrieschool liet zijn oog op dát strookje gras vallen voor een nieuw te bouwen school, Mons Aurea. De bouw van Mons Aureau werd in 1960 afgerond, veertig jaar na de sloop van het fabriekscomplex was ook de laatste herinnering aan Prévinaire voorgoed verdwenen.

Verder lezen over de historie van Previnaire?

Bron: Garenkokerskwartier, een kleine wijkgeschiedenis van de Zijlweg en omgeving. Peter Hamman 2013

Beeld: Noord-Hollands Archief

  • Beeldcollectie van de gemeente Haarlem litho

Één bericht op “Leeg strookje gras

Comments are closed.